Home.
Auteur.
Publiciteit.
Bestellen.
Contact.

Arie de Ruiter
Overzicht
Overzicht
Overzicht
Overzicht Het lijk van Ermelo
Overzicht
Overzicht Het lijk van Ermelo

Op de hei

 

Midden in de nacht wordt hij gewekt door een afschuwelijke angstkreet

op de hei. Geschrokken rent hij zijn hut uit… wat is er aan de hand?

Ongeveer twintig meter bij hem vandaan ziet hij een jonge vrouw

staan. Hoewel de afnemende maan nog behoorlijk licht geeft in de

nacht, herkent Otto haar aanvankelijk niet. Wel ziet hij, dat ze als

verlamd van schrik geen stap meer kan verzetten. In een ogenblik is

hij bij haar en legt zijn arm beschermend om haar schouder.

‘Deern toch. Wat is er aan de hand?’

Trillend heft ze haar arm op en wijst.

‘Spoken,’ zegt ze bibberend. ‘Spoken.’

Otto kijkt in de richting die zij aangeeft en ziet meteen wat ze

bedoelt. Verderop staan enkele jeneverbessen - bomen die in de

duisternis angstaanjagende gestalten kunnen aannemen. Ze hebben

wel vaker iemand de stuipen op het lijf gejaagd. Door hun ongure

silhouet laat menigeen het wel uit zijn hoofd om in de late avond de

hei op te gaan.

‘Daar hoef je niet bang voor te zijn,’ stelt Otto haar gerust. ‘Maar wat

doe jij hier midden in de nacht?’

Dan ziet hij, met wie hij te maken heeft. De dienster van Julius Lokhorst.

‘Ik weet niet waar ik heen moet,’ huilt ze. ‘Julius heeft me weggestuurd

n ik heb niemand waar ik naartoe kan.’ Voordat Otto zich kwaad kan

maken op die herenboer vervolgt ze: ‘Mijn buik doet zo’n pijn.’

‘Kom maar mee naar mijn hut,’ biedt Otto aan. Maar ze kan niet meer

lopen.

‘Au, auw,’ gilt ze. Van de pijn gaat ze op de grond liggen. ‘Er loopt vocht

uit mijn lijf. Ik ga dood!’

Otto raakt niet gauw in paniek, maar deze situatie weet hij niet in de

hand te houden.

‘Jannééééés,’ gilt hij in de richting van diens hut.

Het lijkt wel of de herder op zijn hulproep heeft liggen wachten, want

binnen enkele ogenblikken komt hij aanlopen. Met zijn rustige en

bedaarde wandelpas geeft hij aan, dat er wat hem betreft geen sprake

is van een panieksituatie. Hij trekt zijn oude, vuile jas uit en legt die

over de vrouw heen.

‘Zo blijf je tenminste warm. En laat me nu eens kijken.’

De anders zo stugge herder keert zich nu liefdevol, bijna teder, tot de

jonge vrouw. Bedachtzaam onderzoekt hij haar buik en onderlichaam.

‘Je wordt moeder, mijn dochter,’ zegt hij theatraal. ‘Houd je haaks. Je

kind zal spoedig geboren worden.’ Dan naar Otto: ‘Haal jij twee

schaapsvachten uit mijn hut. En snel!’

Even later klinkt het huilen van een pasgeboren jongetje over de

heide. Vakkundig bindt Jannes de navelstreng aan twee kanten af en

bijt hem vervolgens door. Een ogenblik kriebelt hij met zijn lange, vuile

baard over het blote lijfje van het pasgeboren mannetje. Dan legt hij

hem op de buik van zijn moeder. Met een onbewogen houding verbergen

de mannen hun ontroering. In de schemerige nacht aanschouwen

zij de plaggenhutten, die als schimmen boven de hei uitsteken. Ze weten

van het leed dat daar heerst, omdat ouders hun kinderen niet

kunnen voeden.

‘Dat zal deze vrouw en dit kind niet overkomen,’ bezweren zij elkaar.